Workshop – City & buildings tranformation – Journalistiek verslag

Het WTCB bereidt zich voor op de toekomst. We proberen ons de bouwsector voor te stellen, zoals die er over tien jaar zal uitzien, in een wereld die snel in verandering is en voor straffe uitdagingen staat. Klimaatadaptatie, nieuwe revolutionaire technologieën, een sterk veranderende visie op bouwen en wonen of een pandemie die ons leven door elkaar schudt zijn maar enkele elementen die de toekomst van de bouwsector sterk zullen richting geven. Het WTCB moet daar nu al kunnen op inspelen. En daarom organiseren we drie workshops met vooraanstaande experts. Onder meer uit hun ideeën, hun kerngedachten en hun bedenkingen stellen we een eigen visie op voor 2030: ‘Imagining the future of construction’. De workshop rond stads- en bouwtransformaties werd onderverdeeld in twee thema’s: ‘verstedelijking’ en ‘klimaatverandering en urban resilience’.

Luk Peeters is stichtend partner bij ‘ORG permanente mobiliteit’, een multidisciplinair ontwerpbureau voor Stedenbouw en Architectuur. Hij leidt er de afdeling architectuur en heeft een master in architectuur, in urban design en ruimtelijke ordening.

In zijn exposé ‘City and buildings transformation’ stelt hij dat de wereld voor een aantal systemische bedreigingen staat waar stadsprojecten een antwoord op kunnen bieden. Maar om tot een succesvol stadsproject te komen, moeten enkele obstakels worden overwonnen. Naast de – meestal bekende – technische en financiële obstakels spelen daar vandaag ook ruimtelijke en sociale factoren bij mee. Als we die uitdagingen efficiënt aanpakken, krijgen we succesvolle en haalbare projecten die daadwerkelijke kunnen worden gerealiseerd. Dat houdt in dat men voortaan moet kijken naar de ruimtelijke impact van een project op de omgeving en op de mensen in die omgeving. We moeten onze steden niet heroverwegen, maar we moeten ze wel robuuster maken. We moeten de basiskwaliteit voor onze woningen heroverwegen. Zo is in een aantal steden bijvoorbeeld nu al een buitenterras of een tuin verplicht voor elke individuele woning.

Veerkrachtige stad

In ons dagelijks leven ervaren we vier uitdagingen waarop we een antwoord moeten vinden, als we willen evolueren naar een veerkrachtige stad. Luk Peeters noemt het vier ‘onvermogens’.

Het eerste onvermogen is het onvermogen om ‘onze omgeving te lezen’. We moeten opnieuw leren om onze omgeving beter te lezen. Verschillende uitdagingen zoals mobiliteit, klimaat en demografische groei zullen het bouwen niet afremmen, maar we moeten ons afvragen waar en hoe we nog gaan bouwen.

Bij stadsprojecten gaat het niet alleen over ontwikkeling. We krijgen alleen nog stedelijke kwaliteit, als mobiliteit en ontwikkeling hand in hand gaan. Nieuwe ontwikkelingen moeten hand in hand gaan met een kwaliteitsvolle manier van toegankelijkheid. We kunnen niet langer ontwikkelen op plaatsen die amper toegankelijk zijn. Het manco zit tussen de twee systemen van stad en platteland. In de steden werkt het openbaar vervoer goed, maar op het platteland zijn we bijna uitsluitend aangewezen op de auto. De problemen ontstaan waar die twee systemen elkaar zouden moeten ontmoeten. We geraken niet meer met de auto in de stad en ons openbaar vervoer slaagt er niet in om het platteland helemaal te bedienen. We zien enorme ontwikkelingsmogelijkheden op de plekken waar die twee transportsystemen samenkomen, maar dat kan alleen, als we nadenken over een kwalitatieve invulling van die openbare ruimte. We moeten ook nadenken hoe we heel dat netwerk gaan verknopen en de leesbaarheid ervan vergroten. Net op die knooppunten liggen veel ontwikkelingsmogelijkheden en kunnen we de beeldkwaliteit verbeteren.

Ontwikkelingskansen

De zone tussen stad en platteland biedt vandaag unieke kansen voor een nieuw mobiliteitsnetwerk met veel verschillende mobiliteitsdiensten. Die ontbrekende schakel kwalitatief invullen biedt ontwikkelingskansen. Verschillende nieuwe mobiliteitsdiensten steken de kop op: ‘mobility as a service’, gedeelde voertuigen, voertuigen ‘on demand’, microtransit, enz. In die overgangszones is de bezettingsgraad vandaag laag en de autoafhankelijkheid groot. Precies daar ervaren steden vandaag de meeste congestie. De aanleg van speciale rijstroken en de activatie van die sites voor multimodale transitie kan dankzij recente technologische vernieuwingen. Dat nieuwe mobiliteitsaanbod biedt ook nieuwe kansen voor vastgoedontwikkeling, die kan worden gebouwd rond die multimodale stations. We kunnen daar ook verdichten. Er is dus een groot potentieel, als vastgoedontwikkelaars en mobiliteitsaanbieders samenwerken. Het publieke domein daar herinrichten is niet alleen een infrastructuuroefening, maar ook een belangrijke uitdaging om er een leesbare ruimte te creëren. De beeldkwaliteit van de publieke domein wordt almaar belangrijker.

De omgeving verdient beter

Een tweede onvermogen noemt Luk Peeters het onvermogen om onze omgeving vorm te geven. Dat onvermogen heeft te maken met het gegeven dat ontwikkelaars de mensen niet of te weinig betrekken bij hun projecten. Nieuwe ontwikkelingen en het ontwerp van projecten vraagt vandaag om de betrokkenheid van het publiek. De omwonenden en de latere gebruikers moeten kunnen instemmen met het ontwerp. Ze moeten het ondersteunen en er kunnen aan deelnemen. De voorbeelden zijn legio. Het ontwerp stokt meestal, als de bevolking te weinig betrokken wordt. Typevoorbeeld is de Antwerpse Ring, waar een akkoord twintig jaar lang onmogelijk leek. Tot de alternatieve trajecten met inspraak van de bevolking oplossingen vonden rond mobiliteit en leefbaarheid.

We moeten dus leren om onze omgeving op een andere manier vorm te geven. Ingrijpen op de omgeving kan niet langer eenzijdig. Ingrijpend onze omgeving opnieuw vormgeven zal alleen kunnen samen met de gebruikers en de bewoners. De samenleving wordt almaar mondiger en we kunnen projecten niet langer van bovenaf opleggen.

Veelzijdig

Het derde onvermogen is voor Luk Peeters het onvermogen om zich tot elkaar te verhouden. Veerkrachtige transformaties van steden steunen op strategieën rond sociale cohesie en die worden samen met het ontwerp ontwikkeld. Die strategieën leren mensen hoe ze ruimtes met elkaar kunnen delen en hoe ze nieuwe soorten relaties met elkaar kunnen aangaan. Dat komt omdat ontwerpers meer multifunctionele ruimtes creëren, die om nieuwe technieken en strategieën vragen.

Dat we vroeger functies van elkaar scheidden in een stadsomgeving heeft een enorme impact gehad op de 20ste-eeuwse stedelijke ontwikkelingen. Het gevolg waren mobiliteitsproblemen, klimaatproblemen, enz. Vroeger waren steden vooral centra van productie en nijverheid, maar de laatste 20 jaar zijn de grote Europese steden veel aantrekkelijker geworden. Het werden geprefereerde plekken om te wonen, te verkopen,  te leven, te ontspannen. De huidige steden zijn evenwel onvoltooid. We beseffen meer en meer dat ook productie opnieuw in de steden thuishoort. Steden mogen niet alleen een forum zijn voor consumptie. Als we die productieve stad ook willen integreren in ons stadsweefsel, dan moeten we leren flexibeler te bouwen. Met flexibele gebouwen moeten we onze gebouwen zodanig concipiëren dat we verschillende functies kunnen integreren in eenzelfde gebouw. Dat past meer in de vormen van circulaire economie die er aankomen. Produceren, kopen en verwerken van producten gebeurt voortaan op dezelfde plek.

Maar de ‘urban mix’ – de menging van verschillende functies in de stad – is vandaag minder gemengd dan we graag geloven. Productie opnieuw naar de stad brengen biedt ruimte voor vernieuwing. Sommige van die productieve ondernemingen zijn verankerd in het stadsweefsel en in de lokale economie. Fabrikanten kunnen ook helpen om afval om te zetten in grondstoffen voor nieuwe producten. Ze sluiten zo mee de grondstofkringlopen. En productie diversifieert de arbeidsmarkt en brengt werk en vaardigheden naar de stad. Daarbij moeten we er tegelijk voor zorgen dat het publieke domein het stadsleven regelt: daar grijpen we in op veiligheidsproblemen, lawaaihinder, luchtbehandeling, geurhinder, …  We moeten dus leren om onze steden opnieuw veelzijdiger te maken.

Vormgeving

Het vierde en laatste onvermogen is dat om belang te hechten aan vormgeving. Vandaag wordt ontwerpen nog te vaak gezien als het opfleuren van een object. De architect zorgt met een mooie gevel voor de nodige opsmuk. Die opvatting reduceert het ontwerpen tot een esthetische ervaring, terwijl nieuwe technologieën juist nieuwe mogelijkheden bieden op het vlak van vormgeving.

Ontwerpen is een eindeloze zoektocht naar de juiste balans tussen rationaliteit en abstracte vormgeving.

We moeten leren om opnieuw meer belang te hechten aan de vormgeving. Ontwerp en design moeten een prominentere plaats krijgen in het bouwproces. Al te vaak wordt dat vandaag gereduceerd tot een esthetisch discours, maar dat is een te drastische vereenvoudiging. Al te vaak kregen de functies van de gebouwen absolute voorrang, maar door dat puur functionele voelden mensen vaak totaal geen relatie meer met de omgeving waarin ze woonden.

Nieuwe technologieën, zoals 3D printen, lasersnijden, vezelversterkt beton of verschillende plastics, bieden vandaag nieuwe mogelijkheden. Vorm en functie moeten één zijn. Als ontwerper moeten we een constante evenwichtsoefening doen tussen het rationele van het bouwgebeuren en het meer empathische ervan. Met de huidige technologische evolutie kan alles zoveel efficiënter en niet arbeidsintensief. De nieuwe technieken maken ontwerpoefeningen weer betaalbaar. Ontwerpers hebben de verantwoordelijkheid om na te denken over vormgeving en ze krijgen nu ook die mogelijkheden.